HCTO logo
Houtstudie Centrum

Iroko / Kambala

Loofhout › Moraceae › Milicia excelsa - regia

Milicia excelsa (Welw.) C.C. Berg; Milicia regia (A.Chev.) C.C.Berg

Milicia is een geslacht van ongeveer 10 soortnamen in de familie Moraceae waarvan 2 soorten geaccepteerd zijn (2026). De overige 8 soortnamen zijn synoniemen. De geslachtsnaam Milicia is genoemd ter ere van de Italiaanse botanicus Giovanni Francesco Milicia (18e eeuw). De naam werd formeel ingevoerd door de botanicus Cornelis C. Berg, die het geslacht herclassificeerde en de naam Milicia publiceerde in zijn revisies van de Moraceae. In botanische namen wordt excelsa gebruikt om aan te geven dat de soort hoog groeit, opvallend groot is, of zich verheft boven andere soorten. De soortnaam regia komt uit het Latijn en betekent, “koninklijk”, “behorend tot de koning”, “vorstelijk” Iroko werd vooral gebruikt in Engelstalige handel (Nigeria, Ghana). De handelsnaam iroko komt rechtstreeks uit het Yoruba, een West‑Afrikaanse taal die vooral in Nigeria wordt gesproken. Het verwijst oorspronkelijk naar de boom zelf, die in de Yoruba‑cultuur als heilig wordt beschouwd. Kambala werd vaker gebruikt in Franstalige en Belgisch‑Congolese handel. Kambala is een inheemse Congolese (Bantoe) houtnaam, later overgenomen als Europese handelsnaam voor het hout van Milicia excelsa en Milicia regia. De taalkundige structuur wijst op een Bantoe‑oorsprong met het prefix ka‑, maar de exacte stam (mbala) is niet gedocumenteerd in de beschikbare bronnen.

Handelsnamen

NEN-EN 13556 iroko (GB.); iroko (F); Iroko (D) code: MIXX Mereira, moreira (Angola): abang, mandji (Kameroen, Guinee); kambala, molundu (Kongo, Zaïre): abang, mandji (Gabon); odoum, odum (Ivoorkust, Ghana); simmé (Guinee); guuw (Liberia); mufula, intule, tule (Mozambique); rokko (Nigeria); mvule, mvuli (Oost-Afrika); ka téma, semei, semli (Sierra Leone, Liberia); lusanga, molundu, mokongo (Zaïre).

Herkomst

Milicia excelsa. Afrika: Tropisch Afrika. Milicia rigia. Afrika: Gambia en Ghana.

Boom

Milicia excelsa. kan onder gunstige omstandigheden een hoogte van 60 m (gemiddeld 50 m.) bereiken, met een takvrije stam van 15 tot 28 m, met diameter 0,75-1,0 m, maximaal 2,5 m. Wortelaanzet tot maximaal 1,8 m hoog. Milicia regia is een kleinere boom.

Hout

Fysische kenmerken

Kleur kernhout
varieert van botergeel tot bruingeel, goudbruin en donkerbruin, soms met donkerbruine zones.
Kleur spint
witachtig tot grijswit , is duidelijk van het kernhout te onderscheiden en 50 tot 100 mm breed.
Draad
recht tot kruisdraad, soms golvend.
Nerf
matig grof.
Tekening
op het dosse vlak een streeptekening van licht axiaal parenchym tegen het donker libriformweefsel. Op het kwartierse vlak een lijnen tekening.
Glans op radiaalvlak
zijdeachtig.
Volumieke massa
470 tot 850 kg/m³ bij 12% vochtgehalte, vers 950 tot 1200 kg/m³.
Naargelang het groeigebied kan de volumieke massa en de hardheid sterk variëren.

Mechanische kenmerken

Sterkteklasse
iroko ,gesorteerd volgens de norm BS 5756 HS, is ingedeeld in sterkteklasse D40 volgens norm NEN-EN 338.
Buigsterkte
94 N/mm².
Elasticiteitsmodulus
10.900 N/mm².
Stijfheid
zwak.
Schokweerstand
zwak tot zeer zwak.
Druksterkte evenwijdig aan de vezel
53 N/mm².
Schuifsterkte
12,4 N/mm².
Splijtsterkte per mm breedte
66 N/mm gemiddeld.
Hardheid volgens Janka
evenwijdig aan de vezel: 5.600 N.
loodrecht op de vezel
10.900 N.

Drogen

Iroko laat zich goed en matig snel drogen. Het moet met veel zorg geschieden omdat kruisdradig hout nogal gemakkelijk vervormt. Hout met veel inhoudstoffen (kalk) droogt aanzienlijk langzamer. Bij het stapelen laten stapellatten dikwijls strepen achter. Dit kan voorkomen worden door iroko stapellaten te gebruiken.
Evenwichtsvochtgehalte bij respectievelijk 90 en 60% relatieve luchtvochtigheid
14,5% en 11,5%
Vezelverzadigingspunt aan de lucht 24%
Krimp
van groen tot 12%van groen tot absoluut droog
Radiaal1,3%3,3%
Tangentiaal2,2%5,1%
Stabiel
zeer stabiel.
Werken
gering.

Duurzaamheid

Zeer duurzaam tot duurzaam klasse I – II volgens praktijkervaring en veldonderzoek. De duurzaamheid is sterk afhankelijk van de volumieke massa. Hoe hoger de volumieke massa en hoe donkerder de kleur, hoe duurzamer.
Bestand tegen insecten
zeer duurzaam. Spint is gevoelig voor Lyctuskevers.
Geschiktheid tot impregneren
kernhout zeer moeilijk te impregneren, spint gemakkelijk.
Chemische eigenschappen
door de inhoudstoffen zal iroko, in contact met beton het uitharden aanzienlijk vertragen. In contact met ijzer kan een grijze tot zwarte verkleuring optreden.

Bewerking

Iroko is, zowel met de hand als machinaal, goed te bewerken. De gereedschappen worden snel bot als het kalkinsluitsels bevat. Bij kruisdradig hout, wordt een kleine spaanhoek geadviseerd. Bewerkingen voor profielen, pen- en gatverbindingen, boren en draaien leveren geen problemen op. Goede afzuiging tijdens bewerken van iroko is noodzakelijk om gezondheidsproblemen, bij daarvoor gevoelige personen, te voorkomen.
Schroeven en/of nagelen
redelijk, voorboren wordt aangeraden samen met gebruik van roestvast verbindingsmateriaal.
Lijmen
goed met daarvoor geschikte lijmen, anders matig.
Buigen
matig.

Afwerking

Matig. Voor glad werk is gebruik van een poriënvuller noodzakelijk. Bij verven of vernissen dienen eerst de gomachtige inhoudsstoffen verwijderd te worden, daar deze het drogen aanzienlijk vertragen. Door toepassing van afwerkingssystemen op kunstharsbasis, die door polymerisatie drogen, worden deze problemen vermeden. Bij toepassingen van een watergedragen verf kan wit uitbloeden optreden, dit door de aanwezigheid van wateroplosbare inhoudsstoffen.

Toepassingen

Wordt veel gebruikt voor dwarsliggers, grof timmerwerk aan huizen en schepen, waarbij het hout aan weer en wind is blootgesteld, voor wagonbouw, ramen, deuren, gevelbetimmering, parketvloeren, trappen, binnenbetimmering, laboratoria, meubels en beeldhouwwerk.

Opmerkingen

Iroko bevat een giftige stof, chlorophorin genaamd. Hierdoor kunnen bij de bewerking slijmvliesontstekingen en huidaandoeningen optreden. Iroko vertoont in uiterlijk een vage gelijkenis met teak en wordt daarom wel eens met de naam iroko-teak, en kambala-teak aangeduid, welke onjuiste benamingen zijn. Loepkenmerken. Groeizones Meestal duidelijk. Vaten Rangschikking: verspreidporig. Groepering: alleenstaand en in radiale groepjes van 2 en in scheve groepjes van 3 – 4. Doorboring: enkelvoudige doorboring. Diameter: 60 tot 375 µm. Aantal: 1 tot 8/mm². Thyllen: soms aanwezig. Inhoudsstoffen: witte gomachtige inhoudsstoffen. Stralen Soort: één soort. Breedte: 10 tot 70 µm. Hoogte: tot 0,6 mm. Aantal: 3 tot 6 soms 9/mm. Rangschikking: geen. Parenchymweefsel Paratracheaal parenchym: vasicentrisch, aliform en confluent unilateraal, soms als brede onregelmatige banden.

Stalen

Afmetingen massieven houtstalen: L.15 x B.8 x D.1 cm of afmeting volgens beschikbaarheid van de houtsoort. Afmetingen fineerstalen: A4 formaat of afmeting volgens beschikbaarheid van de houtsoort.

TypeVoorraadPrijs
Fineer - DikfineerLaatste stuks1.50
FineerOp voorraad1.50
MassiefOp voorraad2.00